WAAROM AANDACHT VOOR KANSEN(ON)GELIJKHEID?

Toenemende segregatie binnen het onderwijs

Ouders kiezen vaak voor een school met kinderen met dezelfde achtergrond als hun eigen kind.[1]Hierdoor dreigen factoren die invloed hebben op de kansenongelijkheid te worden versterkt. Factoren als opleidings- en inkomensniveau van de ouders en ook denominatie van de school en ouders spelen hierbij een cruciale rol. De hoger en lager opgeleiden komen elkaar niet snel meer tegen, waardoor ongelijkheid ontstaat.[2] Volgens de Inspectie van het Onderwijs neemt door deze segregatie de ongelijkheid in onderwijskansen toe in zowel het basis- als het voortgezet onderwijs.[3]

Volgens UNICEF scoort Nederland in vergelijking met de rest van de wereld het beste op gelijkheid binnen het basisonderwijs, maar veel lager in het voortgezet onderwijs.[4] Tot twee jaar geleden liep echter de ongelijkheid in onderwijskansen wel op.[5] Afgelopen jaar leek dit ‘voorzichtig te stabiliseren’.[6] Het proces zoals beschreven in de vorige alinea lijkt zich dus in steeds mindere mate te manifesteren.

Het Nederlandse onderwijs streeft naar gelijke kansen voor ieder kind, maar het onderwijs kan dit dus nog niet altijd bieden. Het huidige kabinet wil daarom ook het huidige kansengelijkheidsbeleid in het onderwijs versterken en uitbreiden.[7] Afgelopen jaren is voornamelijk ingezet op flexibilisering van het stelsel, de kwaliteit van leerkrachten en het verminderen van de schooluitval. De komende jaren wil het kabinet de nadruk leggen op het bevorderen van soepelere overgangen. De kansenongelijkheid is echter niet zomaar weggenomen. Binnen het onderwijs zijn er namelijk allerlei factoren die invloed hebben op kansengelijkheid en ook buiten het onderwijs spelen allerlei factoren een rol.

Herverdeling van financiële middelen

Vanaf het schooljaar 2019-2020 worden de onderwijsachterstandsmiddelen herverdeeld. De overheid wil hiermee onderwijsachterstanden in de toekomst voorkomen.[8] De middelen zullen in de nieuwe systematiek verdeeld worden op basis van vier indicatoren: het opleidingsniveau van de moeder, het herkomstland van de moeder, de verblijfsduur van de moeder in Nederland en of de ouders in de schuldsanering zitten. De onderwijsachterstandsmiddelen kunnen door organisaties worden ingezet voor bijvoorbeeld voor- en vroegschoolse educatie (VVE), zomerscholen of schakelklassen. De herverdeling in het basisonderwijs heeft onder andere tot gevolg dat basisscholen in de vier grote steden minder geld  en kleinere scholen in dorpen meer geld te besteden krijgen.

Naast de onderwijsachterstandsmiddelen krijgen scholen in Nederland een som met geld te besteden, ook wel de lumpsum genoemd. Deze lumpsum bestaat ten eerste uit de personele lumpsum die scholen ontvangen aan het begin van ieder schooljaar. Deze kan voornamelijk worden ingezet voor personeelskosten. Ten tweede bestaat de lumpsum uit de materiële lumpsum die scholen aan het begin van ieder kalenderjaar ontvangen. Deze kan voornamelijk worden ingezet voor materiële kosten.[9]

Verder krijgen scholen een som geld uit de ‘prestatiebox’. Scholen ontvangen hierbij geld per kind om (1) talenten te ontwikkelen via uitdagend onderwijs, voor een (2) brede aanpak voor duurzame onderwijsverbetering, (3) voor professionele scholen en (4) voor doorgaande ontwikkellijnen.[10] Scholen mogen dit geld dan ook naar eigen inzicht besteden aangezien de overheid er hierbij van uitgaat dat de school zelf het beste weet hoe het geld besteed zou moeten worden. Wanneer scholen zelf dit geld verdelen kan beter ingespeeld worden op de behoeften van een kind dan wanneer het bestuur het geld zou verdelen. Uit onderzoek blijkt dat wanneer scholen zelf een geldverdeling maken de prestaties van kinderen hoger zijn.[11]

Schoolbesturen hebben dus veel vrijheid in hoe ze het geld dat ze ontvangen van de overheid verdelen. Naast dat ze geld van de overheid ontvangen, vragen veel scholen een ouderbijdrage. Scholen mogen zelf besluiten, in overeenstemming met de medezeggenschapsraad, hoe hoog deze bijdrage zal zijn en waar deze aan zal worden besteed. Door de grote vrijheid zetten scholen de gelden voor allerlei verschillende doeleinden in. Ze kunnen zo dus invloed uitoefenen op kansengelijkheid. Het is daarom interessant om te kijken hoe scholen kunnen bijdragen aan kansengelijkheid door het efficiënt verdelen van financiële middelen.

[1] W. R. Boterman, ‘School Segregation in the Free School Choice Context of Dutch Cities’, Understanding School Segregation: Patterns, Causes and Consequences of Spatial Inequalities in Education, 2018, 155.

[2] C. M. Vuyk, ‘Een Samenleving van Ongelijken’, Filosofie En Praktijk, 38.3 (2017), 64–78.

[3] Inspectie van het Onderwijs, Onderwijsinspectie: Kansenongelijkheid Groeit, 2016.

[4] UNICEF, An Unfair Start Inequality in Children’s Education in Rich Countries, 2018.

[5] Inspectie van het Onderwijs, Onderwijsverslag 2016/2017. Hoofdlijnen: De Staat van Het Onderwijs, 2018.

[6] Inspectie van het Onderwijs, De Staat van Het Onderwijs, 2019.

[7] Ministerie van OCW, Kamerbrief over Actieplan Gelijke Kansen in Het Onderwijs, 2016.

[8] Vereniging voor Gereformeerd Schoolonderwijs, Nieuwe Verdeling Systematiek Onderwijsachterstandsmiddelen, 2018.

[9] PO-Raad, Financiën: Bekostiging, 2019.

[10] Ministerie van OCW, Nationaal Onderwijsakkoord, 2013.

[11] Organisation for Economic Co-operation and Development, ‘Netherlands 2016: Foundations for the Future, Reviews of National Policies for Education’, OECD Publishing, Paris, 2016.

Plaats een reactie