OUDERLIJK MILIEU

Voorschoolse factoren, zoals het ouderlijk milieu, kunnen voor een deel niet door de school zelf worden beïnvloed. Een discrepantie ontstaat bijvoorbeeld al in de opvoeding. Het onderwijs heeft andere doelen dan de ouders, omdat het doel van de ouders per cultuur/ gezin kan verschillen.[1] Zo kunnen ouders bijvoorbeeld per cultuur anders denken over voorlezen, zorgdragen voor broertjes en zusjes, kunstzinnige vorming en huishoudelijke klusjes doen.

Daarnaast hebben ouders met een hogere sociaaleconomische status meer economisch, cultureel en sociaal kapitaal[2] waardoor kinderen van ouders met een hoger opleidingsniveau in de meeste gevallen hogere schoolprestaties laten zien.[3] Daarnaast is de invloed van ouders op de ontwikkeling van sociale vaardigheden zowel op de korte als lange termijn significant.[4] De ouders zijn namelijk in de eerste jaren het primaire voorbeeld voor het kind. Kinderen die vanuit de opvoeding veel sociale vaardigheden rijk zijn, zullen beter in de groep liggen en hierdoor positiever worden behandeld.[5] Door deze factoren uit het ouderlijk milieu ontstaat er al voorafgaand aan het naar school gaan kansenongelijkheid.

‘Ouders kunnen kapitaal inzetten om de schoolloopbaan van hun kinderen te beïnvloeden.’[6]

Het opleidingsniveau van de ouders, het land van herkomst, de verblijfsduur in Nederland en al dan niet het gebruik van schuldsanering zijn ook goede voorspellers voor het risico op een onderwijsachterstand.[7] Zo wordt in gezinnen met een lage economische status minder voorgelezen.[8]

Een rijk taalaanbod thuis is verder ook erg belangrijk, omdat dit een positief effect kan hebben op de (latere) taalvaardigheid van een kind.[9] Dit rijke taalaanbod hoeft niet per se te zijn in de taal die ook op school wordt gesproken. Namelijk wanneer een kind een goede taalvaardigheid heeft in een bepaalde taal, leert deze ook gemakkelijker een andere taal.[10] Dit hangt ook samen met de vraag of de ouders zelf moeite hebben met een andere taal leren. Sommige ouders hebben in de moedertaal al geen goede taalvaardigheid, soms zijn ze laagopgeleid of soms analfabeet. Kinderen van laagopgeleide ouders komen dan al binnen met een taal- en/of onderwijsachterstand en deze wordt vervolgens niet gemakkelijk ingehaald.[11] Daarom is het belangrijk dat een school zo vroeg mogelijk begint met het promoten van taal door bijvoorbeeld voorlezen te stimuleren binnen het gezin.[12]

Tips & tricks

De taal bij ouders kan op verschillende manieren worden gepromoot. Bijvoorbeeld via het project VVE Taalmaatje. Hierbij komt een vrijwilliger eens per week langs in een taalzwak gezin. Dan oefent de vrijwilliger met het gezin op een speelse manier verschillende Nederlandse woorden. Door dergelijke projecten krijgt het kind een betere technische leesvaardigheid en ouders ervaren een grotere sociale inclusie waardoor ze zelfverzekerder en actiever op de arbeidsmarkt worden.[13] Een vergelijkbaar project is de voorleesexpress waarbij een vrijwilliger eens per week in een gezin komt voorlezen. Kinderen worden door het initiatief voorleesexpress gestimuleerd om meer vragen te stellen tijdens het lezen en kinderen vragen vaker om voorgelezen te worden. Daarnaast gaan de gezinnen daarna vaker naar de bibliotheek of lezen ze vaker digitale prentenboeken.[14]

[1] Y. A. M. Roelofs, ‘Knelpunten in de Begeleiding van Jongeren Met Een LVB En Een Niet-Westerse Culturele Achtergrond: De Rol van Gezagsverhoudingen.’, 2015.

[2] Bourdieu.

[3] R. K. Masters, B. G. Link, and J. C. Phelan, ‘Trends in Education Gradients of “Preventable”Mortality: A Test of Fundamental Cause Theory’, Social Science & Medicine, 127 (2015), 19–28.

[4] J. Van der Ploeg, De Sociale Ontwikkeling van Het Schoolkind (Springer, 2019).

[5] Van der Ploeg.

[6] L. Elffers, Individueel Gesprek Experts.

[7] Ministerie van OCW, Onderwijsachter- Standen Beter in Beeld, 2017.

[8] T. Raviv, M. Kessenich, and F. J. Morrison, ‘A Mediational Model of the Association between Socioeconomic Status and Three-Year-Old Language Abilities: The Role of Parenting Factors’, Early Childhood Research Quarterly, 19.4 (2004), 528–47.

[9] S. Gillis and A. Schaerlaekens, Kindertaalverwerving: Een Handboek Voor Het Nederlands, 2000.

[10] S. C. Chung, X. Chen, and E. Geva, ‘Deconstructing and Reconstructing Cross-Language Transfer in Bilingual Reading Development: An Interactive Framework’, Journal of Neurolinguistics, 2018.

[11] H. Blok and others, ‘The Relevance of Delivery Mode and Other Programme Characteristics for the Effectiveness of Early Childhood Intervention’, International Journal of Behavioral Development, 29(1) (2005), 35–47.

[12] Raviv, Kessenich, and Morrison.

[13] M. de Greef, M. Segers, and E. Ipektzidou, ‘Eindevaluatie Landelijke Implementatie Taaltrajecten Taal Voor Het Leven Door Stichting Lezen & Schrijven Op Het Gebied van Sociale Inclusie En Leesvaardigheid (Inclusief Benchmark)’, 2018; T. Cameron and others, ‘English Language Teaching for Non-English Speaking Mothers’, LuCiD, 2019 <http://www.lucid.ac.uk/steppingstones>.

[14] M. de Vries, N. Moeken, and F. Kuiken, Effect van de VoorleesExpress Amsterdam, 2015.

Plaats een reactie